Levensverhaal van Thijs Bakker

(okt 2010) Naar MIJN STAMBOMEN


(Verkregen van Sjoerd Bakker, waarvoor dank)

 Blad 1.

Aantekeningen van Thys Hendriks (Bakker, geboren in 1803) ter nagedachtenis aan onze kinderen.

 

In het begin der achttiende eeuw leefde Hendrik Thyssen met zijn vrouw Engeltje te Sexbierum van beroep wever, hetwelk in dien tijd voorzeker een bestaan opleverde.

In 1733 werd uit voornoemde echt geboren Thys Hendriks, welke ( omstreeks 1778 ?) ten huwelijk nam ene Geertje Alberts ( dit waren mijn grootouders van vaders zijde, waarvan de vrouw is overleden op 29 febr. 1799 en de man 25-12-1808.)

In 1744 en 1745 hebben de kinderen van Hendrik Thyssen ondersteuning genoten van de Diaconie der Hervormden te Sexbierum. Diakenen waren ene Teake Jans, en Jan Azes om redenen dat genoemde Hendrik Thyssen vrijwillig, onder voorbeding om voor zijn huisgezin te zorgen, de wapenen voor het vaderland had opgevat.

In 1767 was Thys Hendriks diaken te Sexbierum met ene Riemer Anes na hem ene Jacobs Jans.

In 1780 (moet zijn 26-9-1778) is uit Thys Hendriks en Geertje Alberts een zoon geboren met de naam Hendrik Thyssen. Er zijn nog twee kinderen geweest: Albert en Japke beiden ongetrouwd (in het.......des levens.........?)

Thys Hendriks is jaren kastelein geweest te Sexbierum en heeft in 1805 de herberg verkocht en tot 1808 de 25ste december in stilheid zijn overige leven doorgebracht en volgende de weg van alle vlees de ouderdom bereikt hebbende van 75 jaren ligt te Sexbierum bij de vorige familie begraven.

In 1801(wellicht 5-5-1799) zijn getrouwd Hendrik Thyssen (oud 21 jaar) van beroep bakker met enen Tietje Dirke Noordenbos. Uit dit huwelijk werd in 1803 op de 9e april geboren ( Ik ) Thys Hendriks, naderhand met het opkomen van de vannen ( is de invoering van de achternamen in de Napoleontische tijd) maar Bakker bijgenomen omdat mijn vader bakker was geweest.

In 1804 is overleden Hendriks Thyssen 29 mei, oud 24 jaar. Volgens zeggen van goede bronnen was deze man een schrandere "untlugge" persoon. Door het vroege sterven van mijn vader ging mijn moeder met mij te wonen bij haar ouders, landbouwer te Pietersbierum, ene Dirk Haantjes (Noordenbos) en Akke Johannes Noordenbos. Deze Dirk Haantjes was te Engelum in 1740 geboren alwaar zijn ouders boer waren en Akke J. Noòrdenbos was in 1752 geboren te Beetgum alwaar de vader chirurgijn was en de moeder Tietje vroedvrouw. Deze zijn eerst te Beetgum op Dykstrahuizen boer geweest waar mijn moeder ook is geboren en in het jaar 1784 naar Pieterbierum verhuisd als boer, welk beroep hij daar nog dik veertig jaar heeft uitgeoefend.

In1806 huwde mijn moeder weer, met Siebren Rienses Hiddinga te Wijnaldum, toen bleef ik bij mijn grootouders die mij verder hebben opgevoed. Mijn grootouders waren bedaarde godsdienstige mensen, welke mij behalve goed op school lieten leren, ook bij haar zelven in de gronden der Gereformeerde leer onderwezen. Aan wie ik, benevens God, veel te danken heb. Deze man (grootvader) was een groot voorstander van de zuivere leer om die te behouden en te doen.

Die leer waar de voorvaderen goed en bloed voor hadden opgeofferd (in de 16e eeuw), trachtte hij zoveel in hem was zuiver in het geheugen voor het nageslacht volgens Gods woord te bewaren. Maar dit moest hij tot zijn groot leed op zijn oude dag zien hoe de zuivere Geref. leer van tijd tot tijd achteruitging tot zover zelfs dat de meeste leraren een algemene genadeleer verkondigden somtijds nog wel bedekkelijk maar in de grond was het niets anders.

Blad 2.

Tot aan het jaar 1816 bleven de Protestanten in de Godgeleerdheid nog aan een band van Vereniging in de zuivere leer, maar toen is de band verbroken en het de Vrijdenkers Vrijstand te leren en te denken wat ieder het beste uitkwam, zodat de Jongelingschap meest van de Hogeschool afkwamen en in plaats van de Gereformeerde-, het volk de Remonstrantse leer voorstellende en het gevolg hiervan was dat erin 1840 een scheuring in den Kerk kwam.

In 1824 Is te Pietersbierum overleden in April Dirk Haantjes Noordenbos oud zijnde 84 jaren.

In 1842 Is te Sexbierum overleden Akke Johannes Noordenbos den 21 Aug. in het 90ste jaars

haars levens en ligt te Pietersbierum bij haren man begraven. Mensen die getuigenis gaven

van de hoop die in hen was, die hoop die niet beschaamd omdat de liefde Gods in hunne harten was gestort door den H.Geest, zodat die geest getuigt met onzen Geest dat we kinderen Gods zijn. En zijn wij zijn kinderen, zo zijn wij ook erfgenamen van Jezus Christus.

De verlichting is zeker in de natuur onder het mensdom van tijd tot tijd toegenomen, maar met datgene is de hoogmoed ook grotelijks toegenomen. De zuivere prediking van het evangelie langzamerhand achteruitgegaan totdat degenen welke de ogen nog geopend waren en niet vreesden om buiten de Synagoge geworpen te worden, zich van de Leer en de Kerk afscheiden en zich met geheime bijeenkomsten moesten behelpen om gezamenlijk de Heer in Geest en Waarheid te dienen. Ook niet zonder hoon en smaad en vervolging totdat er geen tegenweer meer aan was en de koning Willem de 2e ook hier in Sexbierum in 1841 en elders op andere plaatsen rondom in Nederland een op zichzelf bestaande en onder bescherming erkende Godsdienst op verzoek van velen erkenden onder de naam- van Christelijk Geref. Afgescheiden Gemeenten in Nederland. Zodat aldaar de oude zuivere Gereformeerde leer weer verkondigd wordt ook enkele leraren scheiden haar van de kerk af welke in dienst traden bij de Afgescheidenen, waar in deze eerste tijd maar meer Gemeenten dan leraren waren. De eerste te Sexbierum was ene Ds. Vos die niet lang hierna weer is beroepen en deze plaats werd weer vervuld met ene Ds. Feenstra. Er bleven nog wel enige rechtzinnige mensen in de Kerk die hoop hadden dat de Kerk weer in haarzelf hersteld zou worden, maar de tijd leert alle dingen (de tijd zal het leren ?). Is het werk der afgescheidenen een werk van God, zo zal het bestaan blijven, maar is het uit menselijk werk, zo zal het wel ophouden.

Thys Hendriks Bakker (schrijver dezes), is op 9 april in 1803 geboren.

Nadat ik bij mijn grootouders was opgevoed, kwam ik op mijn zestiende jaar bij de bakker te Sexbierum. Bij bakker Sierk Jans voor 2 jaar. Daarna bestelde ik mij te Harlingen bij de bakker H.Houtsma aan de Noordstraat en Groenmarkt.

In 1821 overleed mijn moeder Tietje, in het voorjaar en ligt te Wijnaldum begraven.

Blad 3.

In mei 1822, na eerst te Harlingen, onder Barradeel voor het leger geloot te hebben en vrijgeloot ( no. 30 juist vrij), ging ik wonen in hetzelfde huis te Sexbierum waar ik als leerling eerst geweest was bij een bakker Gerben Pieters Andringa, iemand van het Bildt. Van deze man kocht ik deze bakkerij geheel onverwacht. Wij hadden er in het werk eens over gesproken en toen had ik hem er 2200 gulden voor geboden, maar er niet meer aan gedacht, want dit was al zo lang geleden. Ik kwam op een zondagavond om acht uur volgens de toenmalige gewoonte thuis te eten toen vraagt de man mij zeer onverwacht: "Kom wat geef je mij voor de bakkerij", ik zei dat ik eerder eens geboden had, waarop de kerel mij in de hand sloeg en "zegen ermee" zei.

Toen was ik eerst al wat aangedaan want het was maar tien weken voor mij, ik was nog pas 20 jaar en stond nog onder"furaters" (voogden ?) en was nog maar 4 jaren in dit vak geweest.

Maar na de toestemming van mijn voogden was de zaak voor elkaar. Ik ging dus hen dat zeggen en het werd goedgekeurd. Toen had ik al verkering met een dochter van Hermanus Joha. Toen dacht ik, nu ik een bakkerij heb wil ik ook maar trouwen ging daarop de volgende week naar mijn meisje. En aangezien dat die (zij en haar ouders) het ook al gehoord hadden, kwam mijn voorstel haar ook niet onverwacht over en werd, met de toestemming van ouders en voogden, ook vergund.

Mey 1823 zijn getrouwd te Minnertsga in het rechthuis: Thys Hendriks Bakker van beroep bakker te Sexbierum oud 20 jaren en Maria H.O. Joha oud 18 jaren.

1824 5 februari een zoon geboren met de naam Hendrik.

1825 de 17 maart een zoon met de naam Harmanus ontvangen. (Genlias: Hermanus Out)

1826 de 8 december een zoon met de naam Philippus.

1828 een dochter met de naam Tietje. ( Vlgs. Genlias/Tresoar: Tettje )

1830 13 februari een zoon met de naam Dirk. (Vlgs. Genlias/Tresoar: 14-2-1831)

Op 3 november 1831 is ons zoontje Philippus ons door de onverbiddelijke dood ontrukt oud bijna 5 jaar en ligt te Sexbierum op no. 13 begraven. ( in het boek "De Korenmolen te Sexbierum" van J. Goodijk 1988 staat op blz. 38: Kerkhof Sexbierum: Thijs Hendriks Bakker had 8 graven: rij 13 de nummers 5 t/m 12. In no. 5 van rij 13 in 1832 ? Philippus Bakker.)

1833 de 18 oktober een dochter geboren met de naam Hinke. (is Henke)

1835 de 1 maart een zoon geboren met de naam Philippus. (Vlgs. Genlias/Tresoar geb: 2 mrt.)

1838 de 19 januari op vrijdagmorgen de koudste dag van de strenge winter een zoon geboren met de naam Johannes.

1840 de 22 juli is ons een dochter geboren met name Akke. Gedoopt op zondag 6 september door de W.E.W. Heer ds. Yzendijk van Harlingen, prekende alhier vanwege een vakature hebbende de tekst Philipensen 3 de verzen 18,19.

1843 de 27 november 's morgens van vijf tot zes uur werden ons door Gods goedheid 2 zonen geboren van welke de namen zijn aangegeven de eerste Jan, de tweede Matthys.(Genlias: Mathijs)

Wij hebben vijf jaren in de bakkerij gewoond en ook ons bestaan gehad en kochten de molen namelijk de rogge-en pelmolen van Jan J. Bruina voor zes duizend gulden. Op 12 mei 1828 naar de molen en hier gedurende 8 jaren een goed bestaan gehad hebbende de molen weer verkocht aan Anne S. Anema voor zijn dochter en schoonzoon voor den som van acht duizend en twee honderd guldens. Deze molen verkocht ik vooreerst omdat hij heel oud was en aan zware reparaties toe was. Zoveel had ik met het vak niet verdiend dat dit eraf kon en dan zou ik

Blad 4.

met geld "nagooierij" mij diep in de schuld gestoken hebben,waarvoor ik vreesde nooit weer uit te komen.

Ten tweede, de gelegenheid om te verkopen tegen die goede prijs, althans het is gebleken dat die voormelde Fokkema er maar een dik jaar molenaar is geweest en met de timmerman en andere verliezen er zeker wel drieduizend gulden verloren heeft, een geluk voor die mensen was dat zij er niet af hoefden.

Ik volgde het bekende spreekwoord niet op, van schoenmaker hou je bij je leest, maar ik meende hier-voor ook wel goede redenen te hebben, het geschiedde ook niet in vlugheid maar met goed nadenken en ook met opzien tot Hem die als onze lotgevallen in Zijn hand heeft.

In 1836 kocht ik een huis no. 3 te Sexbierum, door de vrouw haar grootouders (moederszijde) hier in 1808 nieuw gezet voor f 1200,00. Hierin gingen wij wonen een verm.? burgerhuis en toen nam ik de "kooltjerij" ter hand. Kocht ook 12 pondemaat best bouwland voor f. 2.900,00 en nu gedurende 8 jaren in de kooltjerij verkeerd te hebben in het dorp Sexbierum, maar omdat dit met ons talrijk huisgezin geen bestaan meer opleverde zag ik uit naar een beter vak. En na meerdere vergeefse pogingen op een boerderij gedaan te hebben, deed zich eindelijk een mogelijkheid voor ons voor op een boerderij. Aangezien er in 1842 hier plaatsen ( boerderijen) werden verkocht en één die bewoond werd door Sys Ulbes Dijkstra, oom van mijn vrouw, kreeg ik het plan om hierover eens aan de heer Mr. J. Hanekuyk (notaris) te Harlingen te schrijven met natuurlijk het verzoek, dat wanneer mijnheer de plaats kocht, ik dan als boer en huurder in aanmerking mocht komen. Omreden dat mijn eigen land zo geschikt bij die plaats konden worden gebruikt. Kort hierna kreeg ik een vriendelijke brief van die heer terug, dat wanneer dat zo kwam ik de eerste zou zijn. Ik werd bij Z.E. ontboden en aan mij werd opgedragen om de plaats voor Z.E. maar te kopen hetwelk dan ook gebeurde en ik heb de plaats van hem gehuurd voor zeven jaren in te gaan in 1844 voor 15 gulden per pondemaat, (de verponding korte ?) en anders op de hier gebruikelijke condities. De plaats was 26 Bunder (hectare), 94 Rood en 80 El oftewel 73 1/3 pondemaat. De mesthoop heb ik van den heer gekregen, toen berekend op 14 Schar voor f 126,00 en moet weer bij het verlaten blijven liggen 18 pondemaat costuum ??? voor de helft. Zo ben ik in 1844 alhier boer geworden in het vak waarin mijn vrouw en ik beiden in onze jeugd waren opgebracht.

In dit geval werd weer duidelijk bevestigd de wonderlijke bestiering der voorzienigheid Gods, dat de mens overdenkt zijn weg maar de Heer bestiert de gangen. Hij heeft ons nog tot hiertoe geholpen en het ons nog nooit aan iets te wensen doen ontbreken. Onder rampen lijden en zware ziekten richte de Heere ons weer op, ja als mensen zelfs mijn gewisse dood vaststellen, bleef hij mij toch steeds nabij en gaf mij als het ware weer terug aan mijn vrouw en kindertjes en liet hun niet "ongetuigt aan mij beyenden ziel en lichaam" (?), zodat ik wel eens moest uitroepen "Looft den Heer mijn ziel en al wat binnen in mij is zijn heilige naam. Looft den Heere mijn ziel en vergeet geen van zijn weldaden."

-----------------------------------

Mijn kinderen dat de Spreuken der ouderen U niet mishagen: nog hun geschriften niet te vergeefs

toch staan zij opgetekend.

----------------------------------------

Een eenvoudig landman die zijn God in ootmoed dient, heeft verre de voorrang boven een waanwijze

Geleerde, die, terwijl hij bezig is in de loop der sterren, zijn eigen heil uit het oog verliest.

-----------------------------------------

IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid, behalve God te dienen en Hem alleen te beminnen.

-----------------------------------------

Wilt gij waarlijk gelukkig zijn, zo zij God Uw hoogste goed.

------------------------------------------

Blad 5

"It is makkelijker te sizzen dan te dwaan"

--------------------------------------

Wij mensen betwisten vaak mekander een hoopke aarde welke weldra

staat onze eigen hoofden te bedekken.

-------------------------------------

Mijn kinderen zijt mannen van verstand, maar kinderen in de boosheid.

--------------------------------------

Hij die de Liefde bezit, verstaat het beste de taal der liefde.

--------------------------------------

Niet van alles wat tijdelijk is kan uw hart verzadigen dewijl gij niet

geschapen zijt om daarin uw genot te vinden.

-------------------------------------

Hetzij gij wilt of niet, gij moet eens van alles wat op de wereld

is afscheid nemen. (Th.H.B:5/17'46.)

----------------------------------

Mijn Jongens zet het eind nooit te ver van de pols, jullie mochten

het eens niet "beljeppe kinne."

--------------------------------------

K'ried jimme ien dwaen gjin vjoruit nagoosjes, voral netein het gene

dat er nog niet is.

Want in 1845 werd er menigeen beschaamd gemaakt, die dat gedaan hadden met de aardappelen, want door het ramspoedige kwaad er in konden ze niet leveren, waardoor de verkopers veel schade opliepen. De mensen zochten het in het algemeen in oorzaken en bleven bij het uitwendige te zoeken, zelfs de gouverneur van dit gewest gaf in de Courant een schrijven uit op een grote beloning die het middel uitvond om het tegen te gaan.

Maar ik houd het met een andere geleerde, dat alleen hulp van hem te verwachten is die de jaargetijden regelt enz. Zolang wij op aarde zijn, zijn wij voor verzoeking vatbaar want omdat wij met begeerlijkheid worden geboren dragen wij in onszelf de zaden der verzoeking.

------------------------------------

 

Mens zie toch wel toe hoe gij U gedraagt, want dra is het met U gedaan.

-------------------------------------

Nauwelijks heeft iemand zich aan zijn ongeregelde begeerten overgegeven of aanstonds sluipt de onrust in zijn hart.

-------------------------------------

Hij die zich voor geringe gebreken wacht, zal allenkskens tot grote vervallen.

------------------------------------

Zoekt nimmer vreugde tenzij in het verrichten van een goede daad.

-------------------------------------

Bedenk dat wij niet leven om te eten maar eten om te leven.

-------------------------------------

Blad 6

Dat Uwe buik Uwe God niet zij:

Wij moeten hier veel laten zullen wij deugdzaam leven er zijn zoveel verboden bomen op

aarde. Daarom moeten wij met goede voornemens strijden tegen de verzoekingen die zich ons in dit leven wel aanbieden. Waak en bid om licht en kracht als wij bidden leidt ons niet in verzoeking en wij gaan de verzoeking dadelijk in welk een smade zonden tegen de Heilige God, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Welk een grote les hoe herrinnert ons dit wie wij uit onszelven zijn.

Och Heer werk in ons het willen volbrengen naar Uw vrij welbehagen. Uw wil geschiede in de

Hemel alzo ook op de aarde. Hoe klein wij zijn wij onder die heilige wil van God verenigd onder alle omstandigheden des levens. 0h neen onze wil die bedorven is, zelfs van onze geboorte af aan, moet door een Goddelijke kracht gebogen en gewillig gemaakt worden. Hier is niets in staat tot de natuurkrachten nog zedenlicht (??), maar alleen een nieuw schepsel in de Heere en dan hier nog niet altijd gelijk. Neen de Heere moet hier ook weer alles en allen zijn, naar mate de reine vrees Gods ons hier om het hart is, naar die mate zullen wij hier ook met hem zijn. Zo gij wilt dat U de mensen doen doet gij hen ook alzo. Grote les. Wie is hieruit tot zichzelf bekwaam, alleen zij die weten dat hun bekwaamheid alleen uit God is en dan nog van verre.

Verschillende tijden in onze leeftijd en geheugen.

Aardappels. In 1817 woonde ik nog bij mijn grootvader te Pietersbierum als boer. Daar hadden mijn oom van zijn vader 4 1/2 pondemaat land 1 jaar in huur, om aardappels te bouwen en kregen daaruit elfhonderd korf of halve mud grote aardappels. Hoeveel kleine weet ik niet, maar in de herfst verkocht voor f. 1,40 en in het voorjaar voor f. 2,60. Weinige jaren daarna, ik geloof 1824 of 1825 kocht ik beste grote aardappels voor 10 Duiten tot 6 1/2 cent de korf.

Nog heugt het mij ook dat de boeren de aardappels na mei voor de beesten over het land strooiden of in het stro legden of in de hoop. In volgende jaren brachten ze meestal 30, 40 en 50 cent op als herfstprijs en in het voorjaar werd er enkeld nog wel eens wat met "bewinterd", maar ik geloof, en heb het ook van iemand die ze altijd de winter overhield, dat in de herfst verkopen het doorgaans wint.

In 1845 heb ik de aardappels verkocht en dan nog slechte door het ziekteverschijnsel, dat wij er toen voor het eerste jaar ontdekten, 100 halve mud voor f. 2,10 de halve mud en in het voorjaar van 1846 waren ze ook niet duurder.

Vlas.

In mijn jonkheid wist men hier nauwelijks van vlas. In Dongeradeel werd het al gebouwd met goede opbrengsten. In 1818 begon men er hier ook al mee, met kleine plekjes om te leren totdat het met de jaren in de verbouw zo toenam dat men 20 jaar later hele velden met vlas zag. Ik heb meest vlas gebouwd met 75-80 bundels per pondemaat. De prijzen waren wel wat verschillend, maar hing veel van goed of slecht gewas af voor de kwaliteit. Ik heb het wel verkocht voor 80 cent per bundel, ook wel voor f. 1,80.

Koolzaad.

In 1836 kreeg ik 14 zak per pondemaat en 15 gulden de mud. In 1844 was het 10 zak per pondemaat voor 10 gulden de mud.

Tarwe.

In 1817 per "lopen" van 15 à 16 gulden op 81 1/2 kop.

In 1824 en 1825 kocht ik als bakker de beste nieuwe tarwe voor 4 gulden het "lopen". Naderhand wel iets afwisselende prijs maar nooit duur.

In 1844 verkocht ik als boer de 120 ponds tarwe voor f. 5,00 de mud. In 1845 verkocht ik 125 ponds voor 9 gulden de mud.

Rogge.

Heb ik als bakker zelfs gekocht in 1824 voor f. 2,40 en f. 2,50 het lopen. Het halve brood kostte 10 stuiver en 4 duit. In 1844 de rogge verkocht voor 5 gulden de mud. In 1845 voor f. 8,00 en f. 8,50 de mud.

Blad 7

Gerst.

Als molenaar te pellen ingekocht voor f. 2,50 de mud in 1829 en 1830.

In 1816 en 1817 voor 9 gulden het lopen. In 1844 voor 4 gulden de mud. In 1845 voor 6 gulden de mud. 100 ponds zomergort heb ik verkocht voor f. 5,75.

Haver.

Heb ik gekend op f. 1,50.- t'lopen (?) en nog minder en heb ze gekend in

1829 op 5 gulden de mud. In 1844: verkocht voor f. 2,50 de mud.

1845 Voor 4 gulden de mud en eerst was het 5 gulden en hoger.

Erwten.

In 1844 verkocht ik de groene orten voor 5 en 6 gulden de mud.

In 1845 voor f. 12,- en 14,50 de mud. Grouwe orten golden toen 25-30 gulden.

Bonen.

In de herfst van 1845 verkocht voor f. 9,75 de mud, in het voorjaar van 1846 kon men ze kopen voor 5 gulden de mud.

Klaverzaad.

1844 het voorjaar van 80 tot 100 gulden de mud. 1845 en 1846 van f. 40,-- , f. 50,-- tot f. 60,-- de mud.

Suikerrij.

In 1843 heb ik 3 pondemaat verbouwd en dat heeft opgeleverd 40.450 pond en verkocht. Er gaan hier veel kosten mee weg, maar tegen deze prijs kon het nog wel uit maar in 1843 was de prijs maar 5 à 6 gulden. De jaarseizoenen zijn ook al afwisselend en verschillend en om er 2 slechte te noemen: 1844 hadden we op 2 en 3 november al vorst met sneeuwjacht met oostenwind. De mensen waren bezorgd over de aardappels en zetten de koeien op stal. De sloten met ijs bedekt, maar de 4e november weer dooiweer. Op 30 november de winter weer ingevallen. Op 2 december is Manus hier al fiks op de sloten. Op de 3de zijn al de binnenschepen al blijven liggen. Op 7 december de paarden en sleden al op het ijs, de 8ste december zijn Manus en Willem naar Groningerland gereden en de 9e waren zijn in Groningen, na in Grijpskerk bij Wilem Lautenbach zijn oom geslapen te hebben. De 9de weer thuis gekomen.

1844: 29 december dooiweer maar mids januari 1845 weer vorst t/m februari en maart. Op 14,15 en 16 maart nog 13 graden vorst. Op 19 maart hardrijderij met paard en sleden te Franeker. Op vrijdag de 21ste nog hele groepen naar Leeuwarden op de schaats. Op 22 maart dooiweer. De 23ste was Pasen en reed Knol nog met de arrenslee en een week later zag men weer een schip de Ried langs varen en 24 maart, volgens de krant zijnde Paasdinsdag nog hardrijderij op de zee bij de Lemmer met paard en slede. Op 31 maart voer onze schipper weer naar Franeker, nadat hij 17 weken had stilgelegen. Hoe spoedig het ijs in een week tijd bijna weg was met een sterke wind was wonderlijk.

1845 de 4e april was schipper Martin v.d. Heyden, die op 31 maart met zijn schuit was weggevaren, weer met een vracht turf alhier. Omdat er al een groot gebrek aan was, hadden de mensen al met sleden turf uit het veen gehaald. Toen hadden we laat de lente, de koolzaden waren meest weg. Maar ook de wintergort en veel tarwe was doodgevroren. De greiden stonden zo dodelijk maar herleefden spoedig weer zodat wij toch nog een behoorlijke oogst kregen, maar weinig hooi. In dit jaar kregen wij het eerst het kwaad (??) in de aardappels. Wij hadden een zachte zomer een mooi najaar zodat de zaaiing en het ploegen tot laat in de herfst voortduurde. Van 1845 op 1846 geen winter en een heel vroeg voorjaar. 10 weken voor mei hele "troepen" mensen in het veld aan koolzaad wieden. Er waren er ook nog wel die vroeger waren. Op 5 maart zijn de ooievaars hier al gekomen. Op de 7e heb ik twee gezien. Op 12 maart heb ik ze zien eggen en ploegen in en de abrikozenboom begint te bloeien. Het koolzaad is spoedig vol met knoppen. Op 17 maart is het eerste kievietsei gevonden. Een week voor Belkumer

Blad 8

merk zag men het koolzaad al beginnen te bloeien, hetwelk invalt op de 27e april. Op 27 april veel stukken (land) in volle bloei. Het veld is geheel met bloemen in het geel van koolzaad enz.. Vroeg mag men dit voorjaar niet noemen, de ouden zeiden wel van Belkumer merk het koolzaad in bloei, maar ik heb dat hiervoor maar één keer gezien dat ze wat geel werden.

Verder gaat het schrijfboekje van Thys Hendriks Bakker niet.

Overgeschreven 22-01-1940

H.H.W.

 

Een kopie van het originele verhaal is via de familie Westra uit Sexbierum ooit bij de familie Bakker terecht gekomen. Om de leesbaarheid te verhogen heb ik deze originele tekst aangepast.

Ik denk dat het al bijzonder knap was voor een jongeman die op 16-jarige leeftijd bakkersknecht werd dat hij zo goed lezen en schrijven kon. Zo kon hij, door zich verder te ontplooien en te ontwikkelen ons een inzicht in zijn leven mogelijk maken, middels deze aantekeningen die hij "ter nagedachtenis aan zijn kinderen" heeft opgeschreven.

Witmarsum, 12 januari 2006.

Sjoerd Bakker.

Laatste wijzigingen: 21-1-2008

 

 

 

TERUG naar MIJN STAMBOMEN