MEER OVER DE HUGENOTEN

 (sept 04)


 

log analyser

In vele Leidse stambomen wordt melding gemaakt van de Hugenoten, maar wie waren dat eigenlijk?

In 1517 trad Maarten Luther in Duitsland op tegen de ontaarding van de katholieke kerk. Voor Frankrijk, dat toen een religieuze eenheid had, had dit grote gevolgen. De calvinisten, ook wel hugenoten geheten, verkondigden hun geloof vanuit Zwitserland aan de bewoners van Lyonnais en vervolgens aan de Ardèche. De Franse regering zag de staat ineens gesplitst in een katholiek en aanwakkerend protestants deel.

In 1572 was de beroemde Bartholomeusnacht, waarbij duizenden Hugenoten in Parijs, waaronder admiraal De Colligny, en in de provincie de dood vonden. Het protestantse geloof had vooral veel volgelingen gekregen onder de adel en de rijkere heren. Zij vonden dat de (Roomse) kerk teveel te zeggen kreeg en wilde die macht uiteraard liever zelf behouden. In feite een goede reden om van geloof te veranderen, je moet tenslotte praktisch zijn.

Op dat moment stond het koningschap niet erg sterk in Frankrijk. Henri II was na een duel gestorven en had enkel minderjarige opvolgers achtergelaten.

Er kwamen twintig jaar lang godsdienstoorlogen totdat Hendrik de vierde van protestant katholiek werd om Parijs te winnen. Hij waarborgde echter in het Edict van Nantes (1598) gelijke rechten voor de Hugenoten, hetgeen de grondslag moest zijn voor verdraagzaamheid. Tevens verkregen de hugenoten het recht om versterkte steden te bezitten.

Het was de tijd dat er overal gevochten werd voor de godsdienst. In Nederlanden waren de calvinisten als de dood voor de katholieke hertog van Alva, die zelfs door de katholieken in Nederland gehaat werd. De prins van Oranje zocht steun bij de katholieke prins van Anjou, de broer van de Franse koning, maar de meeste Calvinisten hoopten op hulp van protestantse vorsten uit Duitsland. In 1581 werd Anjou inderdaad de nieuwe Heer der Nederlanden, maar vertrok twee jaar later alweer als een verrader naar Frankrijk. Willem van Oranje trouwde overigens in 1583 met Louise de Colligny, een dochter van een der Hugenoten die in de Bartholomeusnacht vermoord werd. Dit was niet bepaald de tijd voor iemand uit Frankrijk om naar de Nederlanden te vluchten, hoewel met het huwelijk van Willem van Oranje het tij wel leek te keren.

Een eeuw later waren er echter opnieuw problemen in Frankrijk. Na de moord op Hendrik IV laaide de godsdienstoorlog weer op. Uiteindelijk bepaalde de vrede van Alès dat de Hugenoten wel hun godsdienst mochten uitoefenen, maar het recht op versterkte steden moesten laten schieten.

In die tijd was Privas, de huidige hoofdstad van de Ardèche, een protestants bolwerk. Onder de bezielende leiding van Jacques Valery (Vallier) had het protestantse geloof vanaf 1534 vat op de burgers van Privas gekregen. Wat noordelijk bij Pranles waren grotten, die vooral rond 1629 als schuilwoning dienden voor de protestanten. In dat jaar had Lodewijk genoeg van deze 'hugenotenzweer' in zijn koninkrijk en sloeg hij met een leger van 20.000 man het kamp op voor Privas. Achter de muren wachtten slechts 1600 verdedigers. Geen partij dus en na zestien dagen werd de stad dan ook ingenomen met alle denkbare gruwelen als gevolg. Behalve enkele gevels werd al het historische schoon door Lodewijk platgebrand of omver gehaald.

In 1685 werd het Edict van Nantes weer herroepen. Opnieuw gingen de hugenoten in verzet. De protestanten kwamen bij elkaar in de openlucht, en de autoriteiten lieten hen daarvoor boeten door de predikanten te executeren en de gelovigen dwangarbeid te laten verrichten. Er ontstond de oorlog van de Camisards (de protestanten droegen een Camiso, hetgeen hemd betekende), maar niets hielp tegen het geloof. In 1715, na de regering van Lodewijk XIV, was de protestantse geest, zeker in het zuiden, nog springlevend.

Volgens een boek over de Hugenoten begonnen deze pas omstreeks 1661 - toen de regeringscommissaren opdracht van de koning kregen om in de verschillende provincies de toepassing van de voorschriften van het Edict van Nantes te controleren - naar het buitenland uit te wijken, aangezien vele kerken werden gesloten of met de grond gelijk gemaakt. Iedere uitwendige manifestatie van de godsdienst was streng verboden en ook de Hugenootse vertegenwoordiging in de Parlementen werd langzaam maar zeker opgeheven.

In 1685 (Het Edict van Fontainebleau) verloren de Hugenoten al hun godsdienstige rechten. Zij, die Frankrijk waren ontvlucht, konden binnen vier maanden terugkeren; zo niet, dan werden hun bezittingen geconfisqueerd. Op straffe van de galeien werd het verboden Frankrijk te verlaten, in 1687 konden vluchtelingen en hun helpers zelfs rekenen op de doodstraf. Toch konden deze maatregelen niet verhinderen dat opnieuw duizenden Hugenoten elders een goed heenkomen zochten. Pas in 1789, met de verklaring van de rechten van de mens, zou er in Frankrijk weer gewetensvrijheid heersen.

Zeker tweehonderdduizend Hugenoten, ongeveer een vijfde deel van het totale aantal Protestanten, weken uit naar het buitenland. De meeste vluchtelingen kwamen uit de zuidelijke provincies, daar was het Protestantisme immers het sterkst vertegenwoordigd. Vanuit de kustprovincies trok men naar Engeland, vanuit de Cevennes zocht men zijn heil in Genève en andere Zwitserse plaatsen (Neuchâtel, Bern, Zürich), die als opvangcentra dienst deden, voordat men zich ging vestigen in Duitsland (Brandenburg) of de Republiek der Nederlanden. Zeker vijftig duizend begaven zich naar de Nederlanden.

Gedurende de hele zeventiende eeuw bestonden er tussen de Waalse kerken in de Nederlanden en het gereformeerd Protestantisme in Frankrijk hechte banden. Eén van de eerste Waalse kerken kwam in 1574 in Middelburg, Amsterdam volgde in 1578, Utrecht in 1583 Leiden in 1584. Dit gebeurde meestal als resultaat van een grote groep vluchtelingen, zo vestigden zich in Leiden in 1584 een grote groep vluchtelingen uit Brugge, omdat hun stad door Parma was veroverd. In 1586 kregen Delft, Dordrecht en Haarlem ook hun eigen kerken. Rotterdam en Den Haag volgden.

Hoewel de vluchtelingen eerst uit de Zuidelijke Nederlanden kwamen, waren het in de loop van de zeventiende eeuw vooral Franse Hugenoten, waardoor er weer nieuwe Waalse kerken gesticht werden. In totaal werden er 32 kerken opgericht. Van de 600 predikanten die Frankrijk noodgedwongen verlieten, weken er maar liefst 363 uit naar de Nederlanden.

Behalve dat de Nederlanden bekend stonden als tolerant, en behalve dat er Franstalige Waalse kerken waren, was er nog een reden dat zoveel Hugenoten hierheen kwamen. De Nederlanden voerden namelijk een ronselend beleid waarbij de toekomstige vluchtelingen allerlei rechten en privileges in het vooruitzicht werden gesteld (bijv. vrijdom van belasting, geen burgerwachtverplichting), En dit alles om bekwame ambachtslieden aan te trekken. Bovendien kwam er een flinke geldstroom de Nederlanden binnen, al in 1683 was er meer dan een miljoen bij de Amsterdamse Bank gedeponeerd. Ook na 1700 vestigden zich nog regelmatig in de Lage Landen. Heel veel officieren, die Hugenoot waren, zochten rond 1685 een dienstverband buiten Frankrijk en zo kwam een groot aantal (zeker 543) in de Nederlanden. Overigens waren de meeste vluchtelingen of rijk (en hadden ze hun geld al naar het buitenland gebracht) of arm (en zat hun kapitaal in hun werkvermogen).

Alle voorrechten zetten echter kwaad bloed en de Staten-Generaal liet in 1715 weten dat de vluchtelingen zich konden laten naturaliseren. Hiermee kwam meteen een einde aan hun privileges. Vanaf 1743 moesten de kinderen van de Hugenoten niet meer naar de Franse doch naar de Nederduytse school.

Waarschijnlijk hebben in deze periode veel Hugenoten hun naam vernederlandst, Le Jeune werd De Jonge en Romain Romijn. Jean Jardin werd Jan Tuin of Jan van het Hof en Sjardijn, Graincourt werd Greinkoert en later Korenhof. Chevalier werd De Ridder, Dieu werd Ju, Chateau Kasteel, Le Francq werd De Vrij, Drap werd Van der Laaken en Reveille De Wekker.

Soms kom je heel vreemde vertalingen tegen, Nimlet werd Vijlbrief. Van den Bos heette vroeger Bordenduick of Bourdonduc, maar komt wellicht van Bois de Duc.

 

Vanuit sommige plaatsen kwamen wel erg veel Franstaligen naar Leiden toe. Voorbeelden hiervan zijn St Amand, Amiens, Valenciennes, Tourcoing, Hontschoten en uit het gebied rond Artois,

 

TERUG naar STAMBOMEN van JOUKE